Kijk papa, een vlinder!

Kijk daar, papa! En je wees met je vinger naar een paarsblauwe vlinder. Wat je niet wist is dat het leven teer als vlindervleugels is, ongrijpbaar vlug en van een schoonheid die van boven deze aarde is. Wat je niet wist is dat het leven zeer aan je ogen kan doen, maar je dan weer uitnodigt om te dansen in het zonlicht. Ik volg je vinger en vind een lege plek.

En je handje grijpt naar bloemen die zo roze zijn als ik nog nooit bloemen heb gezien – zo fel zijn kleuren sinds ik door jouw ogen de wereld zie. Kijk papa – en je handje grijpt naar bladeren waarop dauwdruppels liggen, ik vraag me af of jij ze tevoorschijn hebt getoverd, want zoëven nog zag ik niets, maar nu zie ik kleine parels zó schoon en teder dat ik even niet ademhalen kan.

Kijk daar papa – weer wijst je hand, deze keer zijn al je vingers opgeheven als om de grootsheid  mee aan te geven van dit ogenblik, en als ik omhoog kijk zie ik kleine stofjes dwarrelen in zonlicht dat door ramen valt, en ik weet dat niets voor jouw blik verborgen blijven kan, en ik verwacht de dag dat al jouw vingers naar mijn hart wijzen met diezelfde ogen die deze wereld doorvorsend aanzien.

En ik zou zo graag willen weten wat jouw blik dan zeggen zou, of jouw lach die elke dag ondeugender is de kooi die mijn hart geweest is voorgoed ontgrendelen zou – en dat we dan samen naar de vlinders kijken die een voor een uit mijn binnenste opvliegen zouden, ze zouden zich niet langer schamen voor het licht maar zich verheugen in die paar dagen dat ze de zon aanschouwen mogen.

En zo wandelen wij in deze vlinderkas, je handje maait naar vleugels als om de schoonheid die zich een ogenblik openbaart in vuistjes die van geen kwaad weten te kluisteren, maar wat jij niet weet is dat de schoonheid die dit leven in overdaad geeft zich niet laat vangen, en dat vleugels hun schoonheid voorgoed bewaren als zij verdwijnen in licht dat zacht deinend door ramen valt.

In ieder leven is een dieper leven

Er is een zachte vrede, als je je ogen sluit en diep afdaalt in je binnenkamer. Er is een plaats waar geen stemgeruis binnendringt, waar de wereld met haar mallemolen geen herrie schoppen kan. Er is een plaats – en die plaats is in jou – waar een zachte vrede jou ontvangen wil met armen die wagenwijd open staan, een plaats waar je ware wezen eeuwig schittert als een gouden zon.

Er is een gouden zon in jou, die van eeuwigheid tot eeuwigheid brandt, er is een adem in jou die in de ochtend over de vlaktes blaast en stille liedjes in de bomen zingt. Díe adem is in jou die alles wat verloren loopt tot nieuw leven roept, die uit schijnbaar dode moerassen stralende bloemen geboren worden doet. Er is een leven in jou dat dieper reikt dan je diepste gedachten.

Er is een onpeilbaar diepe bron in alles wat leeft, en waar het zijn van ieder wezen zijn oorsprong heeft. Hier ligt het leven als een stil dier opgerold, met ogen die geheimzinnig glanzen. In ieder leven is een dieper leven. Zo geweldloos als maanlicht in sloten valt, zó bemint het jou, veel zachter dan woorden spreken kunnen en zachter dan handen zich om handen kunnen vouwen.

Er is een diep leven in jou dat geen namen heeft, maar zich krachtig in jou wil openbaren. Plaats je voeten op de weg waar het zonlicht valt en waar het zich steels bewegend om bloemstelen vouwt. Plaats je voeten op het kronkelende pad dat jouw leven is. Durf te gaan. Er is een groter leven dat zich in jouw leven wil ontvouwen. Er is een groter leven dat van jouw rafels opwindende dromen weeft.

Er is een magisch leven in jou dat nieuwe dromen weeft in jouw binnenste. Je hart dat gerafeld en gescheurd de sporen draagt van de winter vindt nieuwe vreugdes en de stromen die zich vernauwden tot smalle beken worden opnieuw klinkende watervallen. Houd niet tegen dat het leven zich vernieuwt. In jouw hart klopt een groter hart. In jou willen nieuwe dromen als gouden ganzen naar de horizon vliegen.

Als je vrede wilt, zoek haar…

Als je vrede wilt, zoek haar dan in je eigen binnenste. Ik zie dat je gedachten nog vol zijn van boosheid, leg ze maar neer tussen de zachte bloemen. Houd niet tegen, dat je helm die zo stevig op je hoofd stond nu tussen de paardenbloemen ligt, als lag zij daar altijd al, en je schouders die eens de kolf van een geweer droegen strelen nu bloemkelken.

Ik zie dat dezelfde vingers die het magazijn met kogels vulden nu de zachte vacht van veulens zoeken en je wangen die lang geen tedere vingers voelden raken de steel van bloemen die de geur van kruitdamp doen vergeten. Je ogen die onrustig en paraat de horizon aftuurden blijven nu verwonderd hangen op wollige schapenruggen.

Als je vrede wilt, zoek haar dan in je eigen binnenste. Zwijgen moeten bommen en blinde schoten. Er is een gezicht waarop jouw schieten was gericht. Laat zijn contouren langzaam scherper worden in je binnenste, nee niet schieten! Lijken zijn gelaatstrekken niet verdacht veel op de jouwe? Ook jij hebt zulke nieuwsgierige ogen, zulke vriendelijke lippen.

Herken dat het beeld waarop jij schiet geen ander is dan je eigen spiegelbeeld. Het slachtoffer is nooit een ander dan jouw ziel. Het slachtoffer is het diepe, oneindige leven dat in ons woont. Kijk eens goed in de ogen van wie voor je ligt, met pijnlijke groeven in het vermoeide gezicht. Zijn dat niet jouw rimpels in zijn ooghoeken?

Ik zie dat jouw hand de zijne zoekt, dat je één voor één zijn gehavende vingers streelt. Leg jullie handen nu samen in het gras, als een bloemenkrans, door een kind geregen. Wees nu dat kind. Kijk naar jullie vermoeide voeten. Leg je uniformen in het gras. Kijk naar hoe het gras met tedere precisie naar het genezende zonlicht groeit.

De eeuwigheid woont in jou

De wereld weeft verhalen van angst. Wanneer men in deze verhalen meegaat, is geestelijke rust voorgoed ondenkbaar. Met moet daadwerkelijk indalen in de eigen ziel en de smaak van de eeuwigheid op zijn tong proeven, anders blijft men voor altijd een dolende, opgejaagde ziel. 

De eeuwigheid woont in jou, je kunt het voelen als je je ogen sluit. Laat het geruis van de dag als stof van je af dwarrelen en al die gedachten die niet van jou zijn. Het zijn tijdelijke gasten in je innerlijke tempel. Je bent een engel in een aardse gedaante, vergeet dat niet. Laat door de modder van deze wereld je ziel niet denken dat zij minder is dan een ster. 

Kom in contact met je ware natuur. Je bent niet de wilde angsten die de oceaan van je geest keer op keer opzwiepen. Je bent niet de gedachten aan oorlog, ziekte en dood. Je ware natuur is wat daaronder verborgen ligt in diepe, opaalblauwe grotten. Je ware natuur is stiller dan de stilste amethyst. Ze ligt op tafel en zegt niets. Maar haar stilzwijgende schoonheid doet alles wat zij niet is verdampen alsof het er nooit is geweest. 

De eeuwigheid woont in jou, je kunt haar zachtjes horen fluisteren, als je je aardse oren een ogenblik afsluit en je ziel naar binnen keert. Je ziel, dat is daar waar het meest zuivere water tinkelend in gouden kommen valt. In het sprankelende water zie je glimlachend je aloude gezicht.

Er is een licht dat je teder omringt en dat je niet verlaten kan. Het weeft jouw bestaan van seconde tot seconde. Zo zijn er wezens die op elk moment liefdevol naar je kijken, die je geen ogenblik uit het oog verliezen. Je bestaan is bemind, meer dan je ooit bevatten kan. 

De kinderen van de zon

De kinderen van de zon zijn in aantocht. Ze hebben gouden gezichten en ogen waarin de sterren schitteren, zij hebben hun plaatsen ingenomen en staan klaar om naar de aarde te gaan.

Het zijn zij die helder weten en door aardse sluiers heen kijken. Iedere waan en illusie zullen zij wegvegen alsof het spinrag op de struiken was. Maak de weg vrij, want ik hoor het ruisen van hun zachte voeten.

De kinderen van de zon zijn in aantocht. Ze hebben het woord waarheid op hun lippen geschreven staan en er is geen façade of leugen die standhoudt voor hun doorvorsende blikken.

De kinderen van de zon zijn in aantocht. Kijk eens hoe wakker en sterk ze over de velden komen, het zijn net korenaren zo rijzig en stralend, uit hen zal een nieuwe mensheid ontstaan.

Uit hen zal een mens ontstaan die weet waar zijn afkomst ligt, hij zal de sterren gedenken ieder uur dat hij ademhaalt, maar hij zal zijn ziel in de aarde planten, en de aarde zal hemelse vruchten dragen.

De kinderen van de zon zijn in aantocht. Laten we daarom terugkeren in de armen van de aarde, laten we weer de liedjes neuriën die boven de aarde hangen waar de roerloze dieren staan.

Laten we weer roerloos worden als de dieren en de dingen. Laten we weer stil zijn en zingen. En laten we ons weer de aloude namen herinneren die in de sterren geschreven staan.

De kinderen van de zon is geïnspireerd door een tekst uit “Starseed” van Rebecca Campbell

De allerdiepste dingen

Er is in het diepste van je gedachten een zachtheid die aan lenteregens denken doet, als de velden met prille voorjaarsbloemen gewassen worden met milde haast onhoorbare stromen, zoals een moeder met haar pasgeboren baby doet. Zo mild en schoon zijn de gedachten die uit de diepe bronnen van je wezen opstijgen, ze laten geen wasem na op ruiten of een geur waarvoor je de ramen openzetten wil.

Er zijn gedachten waarvan je weet dat ze van ieder streven ontdaan zijn, ieder verlangen naar meer of anders is vreemd aan ze. Ze zijn kraakhelder als bergstromen die uit koele meren het dal opzoeken. Diep in je zijn bronnen waarvan geen kaarten zijn, er kwamen wel reizigers terug en in hun ogen stond een vreemde muziek, en ieder die haar probeerde te beschrijven vond zelf nieuwe klanken in zijn binnenste.

We zeilen in felgekleurde bootjes over de dingen die in hun eigen diepe wezen verzonken zijn, we zijn vergeten dat er een tijd van rijpen is. Er zijn ook reizen nodig, voordat een gesproken woord je hart bereikt. Soms lijkt het me, dat de allereerste dingen, het allerprilste licht dat de eerste dag bescheen, nu pas de ramen van mijn hart bereikt, ik zou anders niet weten wat dit stille blinken is dat mijn ziel verlicht.

Er zijn dagen dat een leeg strand en een zee zonder wind voldoende voedsel voor mijn wezen lijkt, en dat ieder doen een overdrijving lijkt van rusteloze lieden. Er zijn uren dat de klanken die in mijn binnenste ruisen ieder streven met milde verbazing aanzien, en dat ieder pogen een tedere glimlach krijgt. Er zijn minuten dat ik volmaakt tevreden naar het dansen van stofjes in het zonlicht zie.

De mens heeft zich van de dingen ver verwijderd. Als een reus wandelt hij door de wereld en raakt van de dingen slechts de oppervlakte aan. Hij bouwt zijn dromen zoals een kind met blokken speelt. Maar in hem stroomt een eeuwenoude rivier die hem soms in onrustige nachten wakker houdt. Heel soms gebeurt het, dat hij ontwaakt, en ziet dat zijn handen, bevrijd van vele taken, in koel en vredig maanlicht baden.

Het fluisterzachte zingen

Er is op alle wegen een fluisterend zingen. Wie het hoort hem vergaat het zoals wateren die plots stromen gaan. Hij valt klaterend in rimpelloze meren waar wuivende bloemen langs zacht glooiende oevers staan. Er is een vreemd neuriën in de bomen, wie het eenmaal heeft vernomen hij houdt vaak stil in tuinen en legt zijn donkere handen tegen stammen die met eeuwenoude takken ruisen.

Er is in alle dingen een stil verbazen. Wie eenmaal in deze stilte is afgedaald heeft immer een vreemde glimlach in zijn mondhoeken staan. Hij weet dat op stormgeweld en regen altijd tere klanken volgen die als libellen opstijgen uit stilstaande sloten. Het is uit stilte dat de mooiste liederen ontstaan. Schoonheid gedijt daar waar niemand haar verwacht.

Er zijn geen dingen zonder zin. In ieder bestaan spelen zich kleine raadselen af die je niet zien maar wel vermoeden kunt, zoals een kind dat laat op bed ligt een speeldoosje hoort maar de bron niet kent vanwaar de klanken zijn hart verheugen. Het voelt een geluk opwellen dat de duidelijker vreugdes van de dag vergeten doet en vermoedt dat de wereld vol vreemde wonderen is.

In alle dingen verscholen is een fluisterend zingen. Men zou de zee in zijn handpalm moeten nemen. Men zou de zon in zijn armen moeten wiegen. Men zou helemaal stil moeten worden. Onder het krassen van meeuwen is een andere muziek te horen, een donker stromen dat buiten alle eeuwen staat. Onder het blaten van schapen wachten symfonieën. 

De grootste daad is een vredig ademen van dieren in het ochtendlicht. De grootste daad is een hand die brood smeert op een keukenblad, een boer die de wol van schapen scheert. Er is een klank die alles samenvat. Achter vele woorden is een eindeloze stilte, zoals kralen verspreid in ‘t donker liggen maar zodra hetzelfde licht over hen heen glijdt ze elkaar in vele fonkelingen vinden. 

Het geheim dat op je wacht

We zullen niet naar bijzondere dingen hoeven zoeken maar onze ogen openen voor het gewone. Er is niets nodig dan te zien dat wij door wonderen omringd zijn en dat ons leven van alle mysteriën die ons omringen wel het grootste is. In alle dingen rusten geheimen die groter zijn dan de grootste zeeën en alle wezens die ons wakend aanzien hebben dromen die voorbij de verste sterren reiken.

Wij hebben geen opdrachten anders dan in ons ware zijn te ontwaken en geheel te ervaren dat wij één met alle dingen zijn. We hebben te leren dat de vele schoonheden die wij aan de hemel en op aarde ontdekken evengoed in ons binnenste wonen en dat ons hart dezelfde wijsheid draagt die ook in stenen ruist en in de ogen van dieren die op bergtoppen naar het maanlicht staren.  

Er zijn geen dingen die ons niet moeten verbazen. Een stroompje lucht verlaat je lippen. Een plukje haar valt langs je slapen. Een slokje koud water stort zich in de duistere afgrond van je keel. Je handen die naar het zonlicht tasten bevatten evenveel lijnen als de nerven in een blad en ‘s nachts wanneer de sterren je huid verlichten stroomt bloed ritmisch door jouw aderen.

We hoeven niet op zoek naar nieuwe dingen. Het gewone leven kent geheimen die als gouden dukaten op onze wegen zijn geplaatst. Wij zijn hier als getuigen van blauwe luchten en dieren die als zangers een verhaal vertellen. Zo zijn er ook veel dingen aan wier zijn we niet zomaar voorbijgaan kunnen. Hun presentie is te sterk, hun woordeloze taal heeft ons wezen aangeraakt.

Reizen biedt minder vergezichten dan vertragen. Overal waar we stilhouden staart dezelfde eeuwige schoonheid ons aan. Geen reiziger die zulk een weelde ziet legt niet zijn koffer in het gras en zijn handen die zich vormden naar papieren vouwen zich nu om een eeuwenoud eikenblad. Het ligt zwijgzaam wachtend in het gras want weet: eens komt er een die mijn geheim ontvangen wil. 

Dank aan alle kinderen

Dank aan alle kinderen die vandaag uit spelen gaan ook al is de speeltuin niet meer dan een verwaarloosde tuin, dank aan alle kinderen die spelen waar geen speelgoed is ze bedenken gewoon hun eigen spel als ik nu een vogel ben dan kun jij een vliegtuig zijn, dank aan alle kinderen want als wij terneergeslagen in het duister staren vinden zij een kleine kleurrijke kraal.

Dank aan alle kinderen als ik zie dat zij in kleurrijke jassen van glijbanen gaan hun gezichten hebben de blos van rijpe appels en hun haren hebben het wilde wapperen dat bloemen hebben op zonbeschenen velden, ik zie graag hoe zij op schommels steeds hoger steeds vrijer de lucht in zweven hun ogen schitteren als de meest heldere sterren en hun stemmen klinken zuiverder dan nachtegalen.

Dank aan alle kinderen voor de keren dat hun handen uitreiken naar ballonnen, naar suikerspinnen, dank aan hun handen die verlegen in jaszakken zitten of verdwijnen in grote bossen ongekamd haar, dank aan de kinderen voor alle ballen die in verkeerde tuinen vielen, voor schoten tegen garagedeuren en afgezwaaid in sloten, dank aan de kinderen voor bolle wangen vol dropveters en patat.

Dank aan alle kinderen voor stappen door plassen en luid slurpen uit limonadeglazen, voor het onbedaarlijk lachen om onbetamelijke grappen, dank aan de kinderen voor spreekbeurten over lego en dinosaurussen en koude neuzen tegen het keukenraam, dank aan de kinderen voor alle kolderieke dansjes en verhaaltjes zonder enige samenhang, voor hun stotteren en spraakwatervallen.

Dank aan alle kinderen voor gevingerverfde landschappen met lachende zonnen, voor boterbloemen in kleine glaasjes voor het keukenraam gezet en herfstbladeren kunstig ingeplakt in fotoboeken. Dank aan alle kinderen voor ondeugende blikken en vele ontwapenende vragen, dank voor de liefde waarmee ze hun naam in vriendenboeken schrijven, in schriften, of zomaar in condens op ramen.

Een ziel van licht en edelstenen

We zijn een ziel op een aardse missie. We zijn hier geboren, maar we komen niet van hier. Onze oorsprong ligt in het licht van vele sterren. Toen we hier kwamen vergaten we dit, we moesten ons aanpassen aan de tragere sfeer van de materiële wereld en de zwaarte van het fysieke lichaam. Alles voelde pijnlijk en zo totaal anders dan in de lichtende meren waarin we stralend zwommen. 

Om te overleven in de lagere sfeer moesten we veel kopiëren van wat we zagen, we leerden vlug en ons aanpassingsvermogen ontwikkelde zich wonderbaarlijk snel. Al snel zouden we merken dat niets zoveel waardering en lof van de buitenwereld opriep als precies dit. Zo werd ons leven een voortdurend nabootsen en conformeren – een zoveel mogelijk afstemmen op de groep.

We ontwikkelden een leven dat de goedkeuring kon wegdragen van de samenleving – want de normen die zij stelde waren in ons denken doorgedrongen en het gedrag dat zij dicteert werd door ons nauwlettend uitgevoerd. Maar in ons binnenste tikte een ziel tegen deurposten, schraapte luid haar keel en begon uiteindelijk een revolutie. Het is niet om schaduwen na te bootsen dat we hier zijn gekomen, maar om licht te brengen. 

We zijn als zielen naar de aarde gekomen om licht te brengen. We zijn hier allereerst gekomen om ons bewust te worden van het eeuwige licht dat we in ons dragen – ons hart is gevuld met sterrenvonken. En ons lichaam, dat onwennig omhulsel, wil worden ontdekt als zoveel meer dan de manke ezel die we ervan maken. Iedere cel wil zich openbaren als een bibliotheek van lichtkennis en een poort naar de hoogste sterren.

We zijn een ziel van licht en edelstenen en het is uit onmetelijke lichtzeeën dat we hier op een tijdelijke missie zijn neergedaald. We zijn hier niet om naar een krakende radio te luisteren. In onze oren ruist de kosmos. In onze harten stroomt de eeuwige muziek van het leven dat geen andere dood kent dan in licht omgevormd te worden. En ons lichaam – edel monument – is een kosmische tent waar sterren wonen. 

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag