De gouden kevers

Een kleine crisis heeft het in zich ons de ogen te openen. Des te meer de coronacrisis. Zij kan onze blik, die bij een of andere mistroostige regen is blijven hangen, richten op de schoonheid die wij in ons dragen. We zijn als mensen die vanachter raampartijen speuren naar een streepje zonlicht dat ergens achter de wolken vandaan wil komen, maar het komt maar niet, terwijl we zelf de gouden kever zijn die naar de horizon loopt.  

Word die kever. Wees je bewust van het goud dat je op je vleugels draagt. Het maakt niet uit hoeveel slagregens de aarde treffen, het maakt niet uit hoeveel bloemen zonder hoofd op hun stelen staan, het gaat je niet aan het precieze aantal halmen te kennen dat je passeert, dat soort kennis maakt je ogen doffer, terwijl je een dekschild door de wereld moet dragen, een glimmend dekschild dat de hemel weerkaatst.

Steeds weer vergeten we onze gouden erfenis. Steeds weer verliezen we het dekschild, verliezen we het enige dat ons werkelijk te doen staat uit het oog, we lopen hersenschudding na hersenschudding op doordat we aanbotsen tegen iedere boom, ieder struikgewas, terwijl we onze voelhorens vakkundig verdoofd hebben, de radar die ons leiden moet speelt als een autoradio de verkeerde muziek.

Onze poten, alweer, glijden weg. En voor de zoveelste keer verdwijnen wij in de goten van de wereld, stromen wij door mistroostige regens, terwijl onze voelhorens als bakkebaarden langs onze slapen hangen. Ons gouden schild ligt ondersteboven in het gras, voor niemand nog zichtbaar, onze voelhorens registreren slechts onweer en zure regen. En wij die bedoeld zijn in de plassen te blinken, verdrinken op een achterafparkeerplaats in een olieplas.

Maar vandaag niet meer. Vandaag hebben we onszelf voor het eerst goed bekeken, vandaag hebben we ons gouden schild als een banier omhoog gehesen. Vandaag hebben we een bergtop bestegen, waar onze voelhorens hogere luchtlagen proeven. En onze vleugels, onze met goud bestikte vleugels, spreiden zich als een toverstaf. Eén hele nacht lang regent het sterrenstof op de aarde. Eén hele nacht lang. 

Deze column is geïnspireerd door het onderstaande gedicht van Hans Lodeizen:

Ik loop in de morgen als een tor
Mijn geluk was het goud op mijn vleugels
Met wapperende voelhorens groet ik
De onthoofde bloemen, negenhonderd
Halmen ben ik gepasseerd, sinds 
Ik mijn dekschild brak aan de boomschors
Als een ellende stroom ik door de goten
Het is steeds mijn tor die verdrinkt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s