De vlucht van de vleermuizen

Ons hart is een burcht, met een wijd open binnenplein, waar appelbomen bloeien in de zon, en waar kinderen met geopende hand achter vlinders aanjagen. Ons hart is een burcht, met een dak naar de hemel, met torenkamers waar hoge dromen ontwaken. Ons hart is een burcht, met een troonzaal, een open haard en zachte kleden die onze voeten verwarmen. Op de kleurrijke stoffen staan de namen van al diegenen die ons dierbaar zijn. Aan de wanden prijken de schilden van onze voorouders.

In deze burcht moeten wij het uithouden, als de zweepslag van oorlog of ziekte over de wereld gaat, of als een ploegschaar door de velden raast die wij zo keurig bebouwd hebben. Deze burcht is de vesting die ons een tralieraam op de wereld schenkt, vanaf de transen zien wij verstikkende stofwolken over de landen gaan, we krijgen berichten van naburige steden die gevallen zijn en lezen over vertrouwde bomen die door stormgeweld of bliksem buigen.

Een goed vorst inspecteert zijn burcht voordat het winter wordt en de kou hem binnenskamers dwingt. Vanaf het hoogste punt (kantelen en schietgaten in de rug) overziet hij: het grote binnenplein met de fruitbomen die zachtjes schudden in de middagwind, de katten die zich lui baden in het vrijgevige zonlicht, de muren die glimmen met gouden panelen en de vlaggen, de vele vlaggen waarop ons eigen gezicht het hemellicht opvangt.

Maar de burcht heeft vele verborgen kelders, kerkers waar het daglicht nooit komt en waarvan de deuren met zware sloten vergrendeld zijn. Hier zitten gevangenen, de gezichten verwrongen van angst, de smalle polsen met boeien gebonden. Hun nagels schrapen het vocht uit de stenen wanden, hun enige drank en verkwikking. Hun ogen zien scheel, hun lompen dragen de geur van rotting en urine. 

Nu de winter stevig tegen de torenspitsen blaast en de koning met bevende handen in een kaarsvlam staart, hoort hij ver onder zich het rammelen van traliewanden, en uit vele luchtschachten tegelijk klinkt het geluid van nachtdieren. Uit ondergrondse gangen fladderen vleermuizen de troonzaal binnen, ze draaien piepende cirkels om het hoofd van de koning, die zijn handen beschermend voor zijn ogen houdt. 

Ineengekrompen eerst, dan zich ontspannend, weet hij plotseling wat hem te doen staat. Zijn voeten dalen af, over stoffige treden, waar muizen en ratten de scepter zwaaien, naar het deel van de burcht, waar zijn macht nog pover is, maar waar zijn kroon van edelstenen nu voor het eerst zal stralen. De hekwerken gaan open en terwijl de bleke gezichten hem bevreemd aanstaren, plant hij zijn goud geborduurde troon precies daar, waar de meeste schimmel langs de muren opklimt. 

En terwijl de franjes van zijn gewaad verkleuren door het vocht dat hier gutst, besluit hij met een tevreden lach op zijn gezicht dat hij voortaan hier zal wonen. En op dat ogenblik ziet men op verre heuvels zwermen vleermuizen boven de kantelen van de burcht de nachtlucht in klimmen. 

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: