De wereld in puzzelstukjes

De huidige wereldcrisis draagt een geweldige paradox in zich: terwijl er grote collectieve paniek heerst en terwijl aan de horizon legertrucks met lijkkisten rijden, worden veel problemen die lang onoplosbaar leken, in één klap gesmoord. 

Vliegtuigen, tot voor kort de grote hemelbestormers, liggen nu op het speelkleed als dinky toys, leuk om te verzamelen en naar te kijken, maar niet langer een bedreiging voor het milieu, die we als bleke patiënt in de coulissen lieten verkommeren. Autosnelwegen, nu vooral lange lege asfaltstroken, bieden prima parcours voor rolschaatsers en steprijders. De wereld ligt in puzzelstukjes uit elkaar, als de Ravensburger doos die we van oma voor onze verjaardag kregen.

Dat is de wereld zoals die vandaag voor ons ligt: losse puzzelstukjes op een tafelkleed, verbindingen leggen is nog niet toegestaan. Kijken mag, aanraken niet. En hoe langer we kijken, hoe meer de oude combinaties ons vreemd beginnen voor te komen, was deze hele puzzel wel zo goed gebouwd? Hebben we ooit naar het plaatje op de doos gekeken, of zijn we gaan leggen omdat onze vingers jeukten? 

De ervaren legpuzzelaar weet dat hij eerst de randen moet zoeken. Het juiste raamwerk vinden is van evident belang, daarbinnen moet alles naadloos aansluiten op elkaar. Is dit gedaan, dan gaat ons puzzeloog ieder stukje af en speurt naar kloppende combinaties van kleur, afbeelding en vorm. Identificatie van de juiste stukjes is geen eenvoudige zaak: geen puzzelstukje is immers hetzelfde en één verkeerde combinatie gooit de hele zaak meteen weer in ’t slot.

En terwijl we bezig zijn te leggen, losse stukken die langzaam naar elkaar groeien, voelen we ons ware toptalenten, maar als onze zetten mislukken, stukjes elkaar weigeren of almaar onvindbaar blijven, vinden we de hele taak meteen te zwaar. Zoals Erich Fromm uitlegt (in zijn boek Liefhebben: een kunst, een kunde), vraagt elke kunst veel concentratie, discipline en geduld, en dat is in de kunst van het legpuzzel leggen zeker niet minder waar. 

En als we dan eindelijk, na vele uren kijken (het zijn vooral onze ogen die het werk doen), de voorstelling bekijken die zich onder onze bezige handen heeft gevormd, wat zien we dan? 

Vandaag zie ik dit: in de kanalen van Venetië, de stad die zinkt onder de massa van zovele voeten, en waar gondels als eenden het rivierwater teisteren, springen plotseling lachende dolfijnen. Ik zie dat hun sierlijke ruggen bogen beschrijven in de lucht, en dat hun gezonde neuzen vele glinsterende druppels dragen – als profeten van een nieuw geluk.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: