De nachtsloep 2020

Een nachtsloep vaart door de grachten van de stad. Aan boord is niemand, toch is er een zacht peddelend geluid te horen. Er klinken geen stemmen op straat, alles sluimert, hooguit stijgt een kort kattengemiauw op. Gevels vangen maanlicht, bomen prevelen voor zich uit, vogels verschijnen op transen als stadswachten. Haast geluidloos vaart de sloep langs ramen, wendt dan met een piepend geluid het voorsteven en vaart onder smeedijzeren bruggen een nieuwe straat van water op.

Zo gaat het nacht in, nacht uit. De mensen slapen, wenden hun hoofden in pyjama’s en kussens, soms gewekt door een zacht piepen of knarsen, een enkeling staart blindelings de nacht in en ziet een lichte golfslag die er voorheen niet was. Het wordt waaierig, denken zij en doen het raam dicht. Ook dit herhaalt zich. Dan dooft de maan haar zaklamp, houden bomen de adem in, en de dienstdoende vogels presenteren hun geweren.

Deze nachtsloep ligt inmiddels in het volle daglicht. Ze bezet met haar brede billen onze rivieren, aan boord heeft ze tienduizenden containers met goederen die niemand zou willen: merendeels bedorven waren, melk met een stank en schimmelkazen. De kades, waar normaal pleziervaartuigjes aan liggen, worden nu dagelijks verzwakt door haar grillen en ook de klinkers in de straat beginnen los te liggen. Zelfs honden met een blaas op springen gaan nog liever een blokje om.

Sinds de sloep er ligt, gebeuren er wel bepaalde dingen. Mensen zetten hun grieven bij het vuilnis, lachen meer en huilen meer, dragen hun hemden ook ongestreken en zien in vogelzwermen profetieën voor de toekomst. Ze beginnen boeken te schrijven, te dansen op straathoeken, en van achter de linies pijlen van liefde op elkaar af te schieten. Terwijl intussen de kades stukscheuren en de parkeerpaaltjes omvallen als dominostenen, bewoont ieder zijn telefooncel, waarin veel lang niet gedraaide nummers worden gebeld.

Sinds de sloep er ligt, is er een levenslied dat van onze balkons neerregent, verliezen we ons in een dwaze reidans, en iedere derwisj heeft een gezicht dat het onze is. In donkere stegen waar vuilniszakken vol ziekte zijn staren dood en leven elkaar sinds lange tijd aan, de een uitdagend, de ander weifelend, dan lachend en huilend door elkaar.

Sinds de sloep er ligt, klinkt er een schelle stoomfluit door het hele havengebied. Ze is een herinnering en een oproep, om dat glimmende ding op te rapen dat voor onze voeten ligt. Het roept ons toe: laat me niet liggen, reik me je hand.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: