Het visioen van de nieuwe aarde (35)

Ik geloof in handen die stil gevouwen op tafels liggen, handen van oude mensen die weten wat wachten is. Ik geloof in handen vol rimpels en groeven, handen waardoor het bloed met de jaren steeds zuiverder stroomt. Ik geloof in de bevende hand die zich vouwt om de wandelstok waarop dit oude leven steunt als op één punt. Ik houd van de bejaarde vrouw die met trillende hand haar boterham smeert op het granieten aanrecht. 

Ik houd van het stokoude echtpaar in het park, naast elkaar op het bankje. Hij opent zijn tas en reikt haar een boterham uit zijn trommel aan. Zij veegt langs zijn wang als daar even later kruimels zitten. Zo wandelen zij, zij aan zij, de avond in, sprakeloos als kinderen, geheel eenvoudig als dieren. En wie hen tegenkomt houdt even de pas in, alsof ieder bewegen haast lomp moet lijken, ieder spreken aan eigen zuiverheid afbreuk doet.

Zo houd ik ook van twee peuters, die samen op de rand van de zandbak zitten. Ze zien beiden het gekleurde speelgoed in het zand liggen, waarom ze net nog hartstochtelijk vochten. Nu bungelen hun beentjes over de rand en zijn beiden dankbaar voor het spelen, dankbaar ook voor de onenigheid, omdat ze intensiteit toevoegde aan het spel. Ze zouden niet weten hoe dit te zeggen, maar ze weten dat de ander weet wat zij weten. 

Ik geloof in liefde als aanwezigheid. Ieder woord draagt een leugen. Kijk daarom naar de onmondigen: kinderen en bejaarden. Terwijl de kamer zich vult met woorden, met veel ernst en gewichtigheid gesproken – het kind leert dat dit ‘meningen’ zijn – leunt het tegen grootvader, die als een oude eik getuige is van het onweer. Het kind ziet de groeven in zijn oude huid, de rimpels, en vermoedt dat opa duizend jaar is. 

Ik geloof dat de grootste dingen in dit leven zich niet onderscheiden, het zijn de stille getuigen die je pas ziet als ze er niet zijn. Het zijn de wollige ruggen van schapen. Het zijn de gerimpelde handen. Het zijn de kinderlaarzen die in de speeltuin achterbleven. Het zijn de dingen zonder stem, die de aanwezigheid van de nieuwe aarde verraden. Er is hiervoor zo weinig nodig om te doen. Er is hiervoor zoveel nodig om te laten. 

Het visioen van de nieuwe aarde (34)

Als ik vannacht mijn ogen sluit, dan zal ik denken aan de vele schoonheden die ik op aarde gezien heb, ik zal ze één voor één gedenken en mijn hart zal in vrede zijn. Ik zal de dagen gedenken, dat ik omhoog staarde naar de hemel en dronken werd, de uren dat ik de vogels hoorde zingen in het riet, de minuten dat ik tussen bloemen lag, in weilanden of onder bomen, en dat ik vredig keek naar de lichte rimpeling in de rivier…

Als ik vanavond mijn moede hoofd te rusten leg, dan zal ik de huizen gedenken, waarin ik woonde en de houten bedden waarin ik sliep, ik zal de haren en de kussens weer ruiken, ik zal afdalen in de ogen die mij aanstaarden, verlegen of vurig. Ik zal zien hoe mijn lichaam op feesten danste en op stranden onder sterren sliep, ik zal de zeegeur en de ochtend ruiken die mij wekten, zoals het maanlicht die nacht met mijn wangen speelde…

Als ik vanavond deze aarde verlaten zou, ik zou door het venster naar de wereld kijken, ik zou aanschouwen hoe de lucht langzaam stil wordt en hoe de vogels één voor één neerstrijken op de daken. Ik zou registreren hoe de melodie van de dag langzaam overgaat in de tragere symfonie van de nacht, zoals een paard in galop overgaat in draf, om daarna hinnikend tot stilstand te komen. Terwijl het stilstaat schudden nog de gouden manen…

Als ik vanavond op de rand van het duister sta, dan zal ik denken aan de vrienden en de dichters die mijn pad geleidden, ik zal hun namen prevelen en ik zal ze meedragen als een krans van sterren in mijn haar. Zo zal ik als een vogel in de nacht verdwijnen. Maar misschien zijn wij allemaal al vele duizenden malen als nachtvogels opgevlogen, om daarna weer met gedempte vleugelslag terug te keren…

Als ik vanavond deze wereld vaarwel kus, deze wereld vol leren hulzen en rubberen dromen, weet dan dat er een andere wereld in jou te wachten ligt om geheel open te gaan: de nieuwe aarde. Want als ik morgen als een lichtstip aan de hemel zal staan – een lichtende stip in een onmetelijke ruimte – weet dan dat ik de schoonheden in mijn leven gezien heb en dat ze nog mooier waren dan de gouden beloftes van mijn dromen…

Het visioen van de nieuwe aarde (33)

Eén ochtend op deze aarde is genoeg, één paar ogen, één stel handen. Er is maar één hart nodig om lief te hebben, één glimlach om deze wereld te veranderen. Van alles is één ding genoeg – terwijl hoeveel tranen al over je wangen zijn gerold, hoeveel woorden over je lippen zijn gekomen, naar hoeveel zonnen hebben je handen al gegrepen? Eén oogopslag is genoeg om van de oude in de nieuwe aarde te stappen. Drie, twee, één… 

Zo is één lichtstraal genoeg om de nacht te verdrijven, één zwaluw genoeg voor de lente, want vele zwaluwen volgen de eerste, zo is één woord genoeg, als dit woord het meest zuivere is, uit de klare bron in je binnenste. Zo is ook één mens genoeg, als zijn stem de meest zuivere is, zijn woorden liggen als kersen op een fruitschaal, zijn handen reiken in de vroege ochtend naar het zonlicht dat de bergen streelt.

Zo is ook één Leven genoeg, één Leven dat zich door nauwe doorgangen – die wij vrezen – steeds vernieuwt, één leven dat zich uitstort omdat het niet anders kan dan zich geven. Zo zijn ook wij, die altijd op zoek zijn naar meer, naar anders, onszelf genoeg. Er is niets anders nodig dan nu en hier, alles is in overvloed voorhanden voor wie zijn beker onder de stroom te drinken houdt. Het water blinkt en onze handen verliezen hun stramheid.

Zo is er één Licht, dat zich verliest in talloos miljoenen kleuren, we kunnen niet anders dan uiteengaan, we kunnen niet anders dan in de sterrenhemel opgaan en verdwijnen. Het is geen verlies, om na zoveel jaren als sterrenstof in de grote ruimte terug te keren, het is geen verlies om na vele omgangen over deze aarde terug naar huis te gaan, het is geen verlies om deze aardse vorm te verliezen. Het is geen verlies om ons menszijn te overstijgen. 

Eén zonsondergang is genoeg: één keer de sterren te zien ondergaan boven de huizen. Heb je één mens ontmoet, dan heb je de hele mensheid ontmoet. Heb je één roos geroken, dan ken je de geur van allemaal! We hoeven niet de hele wereld over. Alle antwoorden liggen in de palm van je hand. We hoeven maar één woord te spreken. We hoeven maar één keer te knipperen met onze ogen. Drie, twee, één…

Het visioen van de nieuwe aarde (32)

Zet de televisie uit en loop naar buiten in de maanverlichte tuin. Adem de geur in van de late avond. Laat je gedachten als vleermuizen boven de huizentoppen verdwijnen. In de heg beweegt een kattenstaart. Loop dan verder de tuin in, tot waar de pioenrozen en de meidoorn staan. In de verte klinkt een rietgans. Je bent niet alleen in deze maanverlichte nacht. Het universum tintelt en de bomen. Laat de sterren dansen in je buik. 

Alles leeft in deze tuin. Alles is bekleed met fluwelen zachtheid. Open het venster van je hoofd en laat je gedachten oplossen in de nachthemel. Wacht hier tot alle denken is gedoofd. Kijk: op blaadjes kruipen beestjes in het maanlicht. Een smaragden hemel beweegt zich boven de huizen als een slangenstaart. De tuin, het universum, jouw hart. Waar zijn de riemen die de wereld bijeen moeten houden? Alles hier ademt en is vrij.

Hoe meer jij talmt, hoe meer de wereld haar samenhang terugvindt. Blijf staan in het maanlicht. Laat de stilte van de nacht je omhullen als een koel kleed. Laat de sterren hun vingers op je voorhoofd leggen. Kun je horen dat de nacht liedjes fluistert in jouw hart? Kun je je dromen zien dansen als vuurvliegen tussen de stammen? Wees getuige hoe duizend nieuwe werelden in duisternis en nacht ontluiken. 

In deze tuin ontwaakt iets groots, iets prachtigs. Bloemen in schemerdonker wiebelen op hun stelen. Maanlicht sijpelt in kleine gaatjes de grond in. En plotseling herinner je. Deze tuin, deze avond, ik was hier eerder, misschien is er zelfs nooit een avond geweest dat ik hier niet stond. De aanblik van de pioenrozen en het heggetje waar de kat zich ophoudt, al deze gebeurtenissen bestaan al vele duizenden jaren. 

De tijd is verdwenen. Er is dat ene, sacrale ogenblik, dat jouw hand bloemblaadjes streelt. Een siddering wordt gevoeld tot achter de sterren. De steeltjes deinen zacht in het maanlicht en jouw ogen bewegen zich langzaam door de tuin, die met elke ademhaling aan schoonheid wint. Het enige dat telt is dat jij vanavond deze schoonheid ziet. Wie schoonheid ziet schept een nieuwe wereld. De nieuwe aarde is een maanverlichte tuin.

Het visioen van de nieuwe aarde (31)

Zie je de tederheden niet? Er is een zon die knikkebolt, er zijn bomen die als kinderen langs de kade staan, er zijn honden die met natte haren uit sloten rennen – met grijnzende bekken schudden ze vlekken in je nette broek. Nee! roep je nog, maar je weet dat het leven ongemakkelijkheid niet schuwt, en je wilt dit alleen niet omdat je de volgende stap al ziet: op je knieën in het weiland, drinkend uit zonverlichte sloten. 

Je wilt het ware leven stiekem niet, wat zou je immers doen als jouw ogen twee brandende toortsen waren in het duister van de wereld, als de volken bevrijding naar je schreeuwden en jij de sleutel van ieder kamp en iedere cel in je handen had? Zou je het aankunnen, de wereld uit haar lijden te bevrijden, zou je de tranen van zoveel miljarden wangen kunnen verwijderen? Vertel me eerst eens, waar is je eigen zakdoek?

Waar heb je jouw tranen eigenlijk opgeborgen, of rollen ze nog in kamers met gesloten deuren, hangt het behang soms vermolmd en opgekruld tegen de muren, zeg me eens, waar zijn je tranen? En wie van de dieren of mensen heeft jou laatst nog zien huilen, of heb je de openheid geschuwd die je van de daken schreeuwt? Kun je de wereld de echtheid die je verlangt tonen, of draag je het masker dat je verafschuwt? 

Zeg me eens, wat zou je doen, als je handen tot de sterren reikten? Wat zou je de wereld tonen om haar naar het licht te leiden? Ik geloof dat ik het weet. Ik zou haar de clown in het circus laten zien, de clown met de betraande wangen. Laat mij die clown in het circus zijn. Laat me de dansende bejaarde zijn op de brug, zijn benen als bloemstelen wuivend, zijn wandelstok naar de hemel opgericht, zijn ogen als toortsen brandend.

Er is een aarde die golft en leeft. Er zijn dromers en wandelaars. En jij loopt slapend of wakend door een wereld vol wonderen. Zie je de dieren, uitgestald als juwelen? Voel je hoe het bloed door je aderen stroomt? Voel je je krachtige polsslag in deze met sterren bezaaide nacht? Voel je hoe je hartslag de hartslag van de kosmos is? Voel je dat alles één ontzagwekkend wonder is? De nieuwe aarde wentelt zich in jouw schoot.

Het visioen van de nieuwe aarde (30)

Er tikt iets op de ruit. Een vogeltje misschien. Kijk! Twee kleine ogen boven een vlug bewegende snavel. Maar dit is geen vogeltje. Dit is niet eens een dier. Dit is een boodschapper van een ander rijk. Dit is het universum dat uitreikt naar zichzelf. Zoals het daar rond hupt in het raamkozijn, zo vol levenslust, zo vol onschuldig plezier: ieder schoolboek kan meteen het raam uit. Wie dit wonder ziet heeft geen diploma nodig.

De baby kruipt op de vloer door de kamer. De kater zit en kijkt. Twee paar ogen staren elkaar verwonderd aan: ‘wie ben jij?’. Twee wezens kijken elkaar aan met een aandacht die je zelden ziet. Het doet denken aan zonsondergangen, als de rode bal schoorvoetend achter de horizon verdwijnt, er is schijnbaar geen beweging, maar toch is elk moment anders en je weet dat wat er gebeurt buitengewoon kostbaar en onherhaalbaar is.

Het gebeurt ook, als twee geliefden samen zitten, ze zijn verzonken in hun eigen gedachten en zorgen, maar plotseling bewegen twee zoekende handen naar elkaar, ze vinden elkaar en in dat ogenblik raakt de hemel de aarde, vogels vernieuwen hun vleugels die lang samengebonden waren en misschien kriebelt er iets in een ooghoek dat zich een weg naar buiten duwt. Een kleine parel die traag zoekend de aarde vindt.

Er zijn ook van die plekken, je komt er wel eens langs in het bos, dat je weet: ik zou nu en hier kunnen zitten, want ik weet dat ik hier iets ga vinden dat speciaal te wachten ligt op mij, ik weet dat ik hier moet wachten, ik weet dat er een boodschapper komt, misschien een lichtval, een vogel, misschien een beweging in de takken, en dat zal genoeg zijn om mijn hart te openen voor een waarheid die in mij woont. Ik hoef niet eens te zoeken.

Misschien zullen wij ontdekken dat er een verborgen wijsheid in de dingen woont, dat in de meest alledaagse plekken kamers vol schoonheid zijn, misschien zullen wij bevroeden dat in ontmoetingen die zo vredig zijn, dat je niets anders vermoedt dan wat je ziet, iets veel groters dan wij magische webben weeft. Misschien zullen wij ontdekken dat de nieuwe aarde geen verre droom is. Er tikt iets op de ruit. Een vogeltje misschien. Kijk!

Het visioen van de nieuwe aarde (29)

The Child is Father of the Man (William Wordsworth)

Van welke ster, lieve kind, ben jij gekomen? Jouw ogen vertellen meer dan vele romans en films ooit zouden kunnen, ik weet zeker dat je veel weet, meer dan meesters en schoolboeken je ooit zouden kunnen leren. Je ligt in mijn schoot, alsof je net geland bent met een ruimtescheepje, en je kijkt naar me met grote vragende ogen. Je bent een baby maar als ik naar je kijk zie ik diepe zeeën en duizendjarige bossen waar ik in verdwalen kan.

In jouw ogen gaat de nieuwe aarde open als een poort. Leg je kleine handje maar in de mijne, en hoewel je niet lopen kunt, leid je vader maar rond in die diepe dromerige gangen die jouw wezen vormen, leid je vader rond – zoals Beatrice Dante – want jij kent de nieuwe aarde als geen ander, het is daar dat je mij – met je armpjes zwaaiend – vogels en bloemen laat zien – kijk pap een vlinder! – en samen kruipen we rond in het paradijs. 

Maar je speelse lach maakt plaats voor de doordringende blik van een stier, met een besliste ruk trek je een scherp-gerand blad van een boomtak en zoals een arts een scalpel hanteert, snijd je, terwijl vogels rondom mijn hoofd zaden uit het gras pikken, beheerst mijn hart open. Naar buiten stromen huilende kinderen, verloren dromen, vele nagejaagde spoken en bouwtekeningen van nooit gebouwde kastelen. Tevreden kijk je toe.

Dan pak je het werk nog meer gedegen aan: je neemt het orgaan in je beide handen, je houdt het omhoog in het felle zonlicht, zodat het vrijuit ademen kan en oude geuren meewaaien kunnen op de winden. Papa, ik denk dat het zo al wel beter voelt maar in het begin kan het nog wel even pijn doen. Je spreekt zoals een engel zonder woorden. Je zit naast me in het gras en kneed mijn hart als een stuk speelgoed. 

Dan streel je me zachtjes over mijn wang en ik denk: moet ìk dat niet doen, ik ben toch jouw vader, maar jij maant me dat het zo goed is, bovendien ik mag tijdens de operatie niet bewegen. Dan plaats je het bevend orgaan terug in mijn lijf, je stelpt de wond met doeken en kijkt tevreden als een engel toe. Nu mag je mij je dromen vertellen zeg je. Ik heb de mijne al gedeeld toen ik bezig was. Ik ben hier gekomen om harten te genezen.

Het visioen van de nieuwe aarde (28)

Er is een gaatje in de heg. Je kunt erdoorheen kijken, je hoeft niet eens heel erg je best te doen. Het gaatje is misschien zelfs groot genoeg, dat je er je hand in kunt steken, en als iemand aan de andere kant dat ook zou doen, dan zou je misschien zelfs die ander de hand kunnen reiken. En zo zou je, terwijl je hier bent, toch een beetje dààr kunnen zijn. Zo zijn er, in iedere heg, gaatjes genoeg – het leven is immers niet van steen.

En stel je nu eens voor dat het een stenen muur is – geen heg. Dan zou je dus in die muur, van baksteen en cement – die muur zonder licht en uitzicht, die muur die afscheidt en insluit – in die muur zou je dan gaatjes zoeken. Stel je maar voor dat je alle plekken aftast, één voor één – een kleine gleuf of kier zou al een bron van grote hoop zijn, en als je dan eindelijk de holte gevonden hebt waardoor een miniem sprankje binnenvalt – nauwelijks genoeg om te zien, het is meer geloven dat het er is – zou je dan geen rijkdom ervaren?

Ieder leven is nauw. Onze keuzes bepalen de grenzen die we dagelijks ervaren. Zo bouwen wij – die vrijheid verlangen – onze eigen cel. Maar geen cel is zo nauw, dat er geen groefjes in de muren zitten, geen plekjes waar de bodem wat is uitgescheurd. Heeft ons leven niet genoeg slijtageplekken, plekken waar we graag een poster voor plakken als de bewaarder komt kijken? Maar waar gaten vallen, ontstaan openingen.

In ieder leven vallen gaten, in ieder leven staan de muren op omvallen. Laat het gebeuren. Hoe groter de gaten, hoe meer het bestaan kan uitbreken, hoe meer licht op je koud geworden tenen kan vallen. Zie je een rimpel? Fijn! Zie een je rafel? Mooi! Verwelkom de onvolkomenheden: de kleerscheuren, de stiltes, de hiaten. Verwelkom de onzekerheid en het niet weten. Wie zijn gaten laat vallen, kan er doorheen kruipen.

Juich om iedere scheur in je gelukkige leven, vier feest als je reputatie sneuvelt. Je bent niet je keukendeur van mahoniehout, je bent niet je kersenhouten vloer. Kerf gaten in je geluk, stroom leeg als doorzeefde vaten, pas dan kun je de volheid smaken. Waar een ruïne is, is hoop op een schat. (Rumi) Wees niet bevreesd als deze wereld uit elkaar valt. Ze moet breken, anders kan ze niet het licht ontvangen dat vredig dansend wacht op ruimte. 

Het visioen van de nieuwe aarde (27)

Ik wil weten wie de mensen zijn die neerknielen in het gras om een salamander van dichtbij te bekijken. Ik wil weten wie de kinderen zijn die met hun laarsjes in de plassen stampen, terwijl de regen onverminderd blijft vallen en elke vezel aan hun lijf nat is. Ik wil weten wie de opa’s zijn die reusachtige asperges uit hun tuintje halen – hun handen trillen van opwinding en hun ogen stralen trots als kinderen. Ik wil weten wie het zijn.

Ik weet dat er mensen zijn die in de nacht kleine wensen doen – ze liggen wakker en vinden een kleine ster aan de hemel. Ik weet dat er dwazen zijn – volkomen dwazen zijn – die levensgroot ‘vrijheid’ op garagedeuren verven, terwijl de maan hun wangen beschijnt. Ik weet dat het dwazen zijn, maar ik wil ze ontmoeten en in hun ogen kijken. Ik wil de dwaasheid in hun ogen zien en ik wil ze luid lachend op de schouders slaan.

Ik wil weten wie er van zijn fiets stapt, omdat een heel klein vogeltje op de weg zit, het is zo vrij en onbevreesd, wat een gek beestje… Ik wil weten wie regenbogen verkiest boven horloges. Ik wil weten wie ’s avonds stilhoudt op zijn wandeling om lang en verwonderd naar de maan te kijken – wanneer hij in bed stapt denkt hij nog steeds aan de maan, en hij staat nog één keer op om uit het raam te kijken. Dan pas gaat hij slapen. 

Ik wil weten wie de kinderen zijn die roze hartjes op de stoep krijten. Ik wil weten wie met me meegaat als de wegen steeds grijzer worden, de hekken steeds hoger en de helmen steeds grimmiger naar ons kijken, ik wil weten wie er dan met me meegaat naar de kleine speelplaats in de zon. Ik wil weten wie er naast me staan, als de heftrucks komen die onze kleine huizen opzij vegen als bordkartonnen dozen? Ik wil weten wie het zijn.

Ik zou willen weten wie standhoudt tot het einde, wie om zijn droom te redden bereid is alles te verliezen. Ik zou willen weten wie berooid en leeg de bergtop haalt, maar met een hart dat leeft. Ik zou willen weten wie zo totaal voor de liefde gaat dat het leger één voor één de wapens in het gras laat vallen. Ik zou willen weten wie de bouwers van de nieuwe aarde zijn, die haar elke dag een stapje dichterbij brengen. Ik wil weten of jij er één bent.

Het visioen van de nieuwe aarde (26)

Toen ik op de basisschool zat, gingen we af en toe naar buiten om in onze schooltuintjes te werken. Grenzend aan de school was er een lapje grond, dat verdeeld was in perceeltjes van ca. 1 bij 2 meter. Iedere leerling kreeg zo’n perceeltje toegewezen: zijn eigen stukje aarde, waarmee hij kon doen wat hij wilde. Als je zaadjes wilde meebrengen om bijvoorbeeld worteltjes te verbouwen dan kon dat. Had je liever radijsjes, dan kon dat ook. 

Ik weet nog dat er bij de verdeling van onze tuintjes een probleem ontstond: er was een perceeltje te weinig voor onze klas. Om dat probleem op te lossen werd het laatste perceeltje in tweeën gedeeld: het ene deel kwam mij toe, het andere deel een klasgenoot. Hiermee was mijn stukje grond bepaald op ca. 1 bij 1 meter. Dit hele kleine lapje aarde was aan mijn kinderlijke zorgen toevertrouwd. Wat hier groeien zou, was mijn keuze alleen.

Er waren niet veel kinderen die zelf zaadjes meebrachten. In veel tuintjes viel dan ook niets te oogsten. Er werd geschoffeld en wat geharkt, de wilde planten die het tuintje al gauw overwoekerden werden uitgerukt of begoten, al naargelang de bezitter van de tuin oordeelde dat nuttig en nodig was. Maar ik, ondanks mijn kleine tuin, had zakjes meegenomen. In de aarde liet ik de zaadjes vallen. Ik staarde aandachtig naar de grond, waar het wonder gebeuren zou.

Een paar weken later keerden we terug naar de tuintjes, alle kinderen voorzien van wat tuingereedschap om het werk te hervatten. Mijn tuintje was niet moeilijk te vinden: het was een van de allerkleinste, maar de natuur had niet nagelaten haar werk te doen. Toen ik de radijsjes in mijn handen nam – kluitjes aarde lieten los en vielen op de grond – zag ik de verbaasde en hier en daar jaloerse blikken van mijn klasgenoten. ‘Hoe komt hij dààr nou aan?’ 

Het is inmiddels meer dan dertig jaar later. Een schooltuintje heb ik al lang niet meer. Maar ik zie met de dag duidelijker dat de komst van de nieuwe aarde alles te maken heeft met de zorg voor het kleine ‘tuintje’ dat mij is toevertrouwd. Het vraagt dagelijks alle liefde en aandacht die ik kan opbrengen. Het vraagt geduld en het vertrouwen dat de natuur haar werk zal doen. Maar de nieuwe aarde komt als rode radijsjes in het voorjaar. 

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag