Mijn gekleurde headlines (visioen 52)

Voor mij geen zwarte koppen meer, ik zal mijn eigen gekleurde headlines schrijven. Ik zal schrijven over bejaarde mensen die elkaar na zestig jaar nog kusjes geven en over kinderen die nieuwe woorden uitvinden in zelf bedachte talen, ik zal schrijven over vogelzwermen die zich vouwen tot figuren, en over de mensen die elke nacht naar de sterren kijken, omdat ze op zoek zijn naar die ene.

Over zulke dingen zal ik schrijven, en zoals in botanische tuinen een zeldzame bloem slechts éénmaal opengaat en bloeit – zij die waakten zien haar schoonheid en staan versteld – zo geduldig verlangend zal ik naar de mensen kijken. Ik zal kijken hoe handen die verlegen in zakken staken plotseling uitreiken, zoals schepen diepe oceanen oversteken of zoals door wolken een overvloed aan kleuren breekt. 

Ik zal paginagroot melden hoe kleine rupsen tot grote vlinders werden en hoe uit nesten van karton en afvalresten kakelend nieuw leven kruipt. Ik zal in prachtige cartoons verbeelden hoe de zon verstoppertje speelt achter de bergen, zoals kinderen achter kasten naar hun vader roepen. Als hij ze vindt is het spel uit, maar het samenzijn schenkt groter vreugde.

Er zullen vele ingezonden brieven zijn, over de heerlijke fouten die men altijd maken mocht en de prachtige lessen die men daaruit leerde, er zal een dik katern met kindertekeningen zijn, er zullen vraaggesprekken zijn met hen die in mistige rivieren gouden regendruppels vonden, en op iedere pagina zal een puzzel staan waarbij liefde het standaard ontbrekende woord is.

Maar de grootste rubriek zal het dankjewel zijn, er zullen dankjewels zijn voor ouders die hun kinderen leren kijken naar een bloemsteel, zoals die zich uitstrekt naar het licht, er zullen dankjewels zijn voor de donkere nachten waarin ons hart wachten leerde, en er zullen duizenden dankjewels zijn voor de nieuwe aarde die in vele gekleurde headlines dagelijks op je deurmat ligt. 

Het visioen van de nieuwe aarde (51)

Er is een huisje waarvan de vloeren kraken, de deuren piepen en de ramen niet opengaan, een huisje waar oude voorraadpotten op doorgebogen planken staan. Een zachte geur van kaarsen verspreidt zich door de kamer, waar je buiten het knisperen van de haard niets hoort. Buiten hameren spechten in het hout. De armen van een man rusten op de tafel, terwijl zijn ogen uit het raam priemen. Buiten ruist het woud.

In deze kamer zijn geen uren en minuten, maar een gedurig ademen, zoals beken geduldig dalen in bossen waar vele dieren dwalen als droomgezichten. In deze kamer heeft de stilte lagen, zoals bomen in gestapelde ringen opklimmen naar het licht, en afdalen naar waar wortels duistere gangen graven. In deze kamer ligt heel de kosmos opgevouwen als een gouden insect.

En terwijl de ogen van de man het kaarslicht zoeken, ziet hij dat niets van alle dingen voor zichzelf bestaat. Het houten lepeltje dat in zijn handen rust lacht naar de wanden waaraan kleden hangen, die op hun beurt wenken naar de lampen en de boeken. De blinkende pannen en de oude potten koesteren trouwe vriendschapsbanden. De vloeren dragen met warme liefde de voorouderlijke kasten.

De gestalte zit bewegingloos aan tafel en haalt gedurig adem. Plotseling voelt hij helder dat vele miljoenen longen op het ritme van de zijne gaan, de dieren in het woud wier vacht door sterren wordt verlicht, en de bomen die zacht wiegen in de nacht, vormen samen één grote boezem die stijgt en daalt. De planeten en de sterren stijgen en dalen mee: het universum is een borstkas die ademhaalt. 

En heel de wereld met haar stenen wanden en al te stijve schoenen wordt langzaam vloeibaar in zijn handen, zoals glinsterende was van boomstammen druipt, of zoals in eeuwenoude kapellen kaarsen gloeien: heiligen in hoog verscholen nissen krijgen op hun donkere wangen nieuwe kleur, en om hun al te strenge monden gloort een lachen, zoals in tuinen bloesems aan reeds lang dood gewaande struiken.

Het visioen van de nieuwe aarde (50)

En zomaar ineens zit je in het nieuwe zijn, je oude angsten liggen achter je als verkreukelde capuchons, binnen in je schijnt een zon, en nooit geziene luchten zeilen over met stralende gezichten. Alles in je ademt en is wijd. Aan jouw vingers groeien nieuwe wegen als loten, aan jouw slapen bouwen vogels hun nesten.

Smeltijs sijpelt in gutsende stromen weg, terwijl een nieuw vuur jouw handen streelt en de paarden van de toekomst hun hoeven schrapen. Een schoongewassen zon legt vederlichte vingers op de velden, waar kleine pioenrozen om poten van kalfjes staan. Brokstukken van oude muren en stukgebroken sloten kijken elkaar langdurig aan als vreemde artefacten.

Zomaar ineens komen alle dieren van vroeger op hun knieën voor je zitten, zomaar ineens ben je omringd door de luchten die je mooiste dagen sierden, het gordijn waarachter alles zweefde ligt nu op de grond als een schitterend kleed, en de besloten tuinen waar je vroeger speelde vouwen hun vleugels uit als trotse pauwen.

Er is een nieuw leven dat zich naar voren dringt, er zijn kreken waarin bonzende luchten zich weerspiegelen en zo soepel als gemalen nu het water wieken, zijn schilderskwasten nooit in verf gedoopt. Heel de wereld hangt aan lijnen, zoals in tuinen broeken drogen, en zo geruisloos als salamanders rond sloten gluipen, zag ik deze wereld nog nooit.

Het nieuwe zijn is zachter dan gefluister van wolken, zachter dan het wapperen van gordijnstof dat door het half geopend venster naar de lente lonkt, het is een zachtere soort van zijn, alsof de horizon en heel haar kleurenpracht in mijn zuchtend hart verdwijnen wil, alsof de nieuwe aarde in mij te deinen zoekt met kusten van fluweel.

Het visioen van de nieuwe aarde (49)

Alle wolken weten wie jij bent. Alle vogels dromen van een rustplaats in jouw takken. Ik verslijt de dag in het gras onder jouw bladerdak. Zoals jij je armen spreidt, zo zou ik willen dat we elkaar ontvangen. Als ik naar je kijk, zie ik miljoenen gezichten groen en vreedzaam naar elkaar lachen. Ik zie je stam stoer naar de hemel reiken als een vaderland, ik zie je voeten mild in de moedergrond verdwijnen.

Jouw bewegen is een zacht strijken van violen, jouw zijn een ontzagwekkend ademen. Als ik met je praat antwoord jij met stille trommelslagen. Op jou heeft ontreddering geen vat, in jouw nerven is geen nerveusheid. In mij wachten vele dieren op ontwaken, hun gelaat heft zich naar het licht dat in gezeefde stromen door jouw groene glazen valt.

Zoals jij rechtop jouw waarheid toont, heeft geen koning nog een leger nodig, in jou ligt een arsenaal aan levenskracht, jouw scheuten zijn vitaler dan kanonnen en jouw breed vertakte stammen doen heel het oude Troje in vlammen vergeten. Als ik opkijk en in jouw schatkamers ronddwaal weet ik dat ik op een verre reis geweest ben, hoewel ik nooit ergens meer thuis was dan in jou.

Je bent wijzer dan oude bibliotheken en zachte zalven verliezen het van jouw koele ruisen. In jouw groene gangen psalmodiëren vele vogels, hun zangen mengen zich met de bonte geuren van de middag. Ik weet dat onder deze kluiten jouw wortelkransen diep in de aarde reiken, want jij weet dat ook het duister omarmd worden wil.

Jij bent het wakend oog van deze tuin, in alle vier seizoenen sta je hier, en de eeuwen waarover ik las in boeken zijn door jou gezien. Ik ben bezeten van je volheid, en je ruimtes openen zich zò wijd, zò duizelingwekkend, dat ik wel vragen moet: ben jij niet de nieuwe aarde, jij die jezelf zò stoutmoedig en met zo’n zinderende schoonheid openbaren durft?

Het visioen van de nieuwe aarde (48)

Wanneer zullen wij gaan zien, dat we de aarde niet bezitten, maar dat de bossen sterren meren in ons drijven, zoals in sprankelende zeeën dartele dolfijnen, en dat het gelaat, dat in de spiegel vragend naar ons kijkt, hetzelfde gelaat is waarin wij scherven spijkeren? Wanneer zullen wij vermoeden, dat het ene gezicht dat in duizend vrome boeken beschreven staat, ons op elke straathoek stilzwijgend aankijkt?

Wanneer zal er een weten zijn, dat heel ons zoeken slechts een dwalen was in de duizend kamers van ons huis, dat we ondanks uitheemse avonturen nooit verlieten? Wanneer zal het ons dagen dat we daarom tranen huilden, opdat ze eens sterren zouden worden en ons met lichtschittering omringen konden? En de duizenden keren dat wij vielen en onze knieën bezeerden, wanneer zullen wij begrijpen dat het universum ons toen vliegen leerde?

Hoe lang moeten wij nog huilen, voordat we het kind in ons in warme doeken vouwen, hoe lang nog bij rivieren wachten, voordat wij modder pakken en bruggen bouwen? En hoeveel hamers bijlen stenen moeten nog in de aarde zijgen voordat de laatste oorlog gestreden zal zijn? Wanneer zullen de ruiters die over de rossige  bergen komen daadwerkelijk naar vrede ruiken?

En als de horizon dimt, en oude vermoeide vogels over de huizen vliegen, wanneer zullen wij dan weten dat naar onze komst wordt uitgezien, en dat ieder woord gebaar gedachte ertoe deed? Wanneer zullen wij begrijpen dat adem wind is en dat ieder uitblazen een toeblazen is? En dat sterven is als het tuiten van duizend lippen, zoals pluisjes van takken wippen en op reis gaan?

In ieder mens dier ding is een stralend diep weten dat in ons te wachten ligt zoals oesterschelpen stralende geheimen dragen en zoals in kleine duinen grote zeeën ruisen. In ons huizen wouden dieren dingen sterren en planeten, in ons golft een eindeloze zee en onze kleine al te menselijke dromen stijgen met de deining van de golven naar grotere hoogten mee.

Het visioen van de nieuwe aarde (47)

Ik kan de nieuwe aarde al zien komen, de matrozen staan al op de kade, er wordt al heen en weer geroepen en de katten kijken vragend op uit hun schaduwrijke hoeken. Ik kan de nieuwe aarde al zien komen, er zijn bloemen die zich openvouwen, er zijn ogen die opengaan na duizendjarig slapen en libellen met satijnen vleugels stijgen op uit vaalgrijze sloten.

Ik kan de nieuwe aarde langzaam horen, er drijven liedjes door de lucht, ze hangen voor je ogen als kleine lichtgevende boten, en als ze je blik eenmaal gestolen hebben beginnen alle dingen te blozen. De kadewanden waaraan mossen kleven glinsteren vriendelijk in het morgenlicht, en de schoorstenen waarop duiven scholen schijnen sneeuwbedekte bomen.

Ik zie de nieuwe aarde ontluiken als verse loten op het land, mijn hand die kluiten grijpt ruikt geuren die uit dromen lijken, ik voel de nieuwe aarde schudden want kijk op pleinen wordt gedanst. Wie goed kijkt ziet handen die stram in zakken zaten nu naar druiven grijpen en boven de aarde als nevelslierten zweven dromen die zoëven nog door duisternis omsloten leken.

Ik voel de nieuwe aarde fluiten als een vogel in mijn hand, en wie verlangend over de golven staart kan van het deinend dek het goudomrand eiland naderbij zien komen. Op het gele strand rennen honden zonder lijnen in zonlicht dat nooit sterft, en mijn ogen, die zich ieder ogenblik vernieuwen, zien tussen mijn vingers een bloeiende wingerdstaf verschijnen. 

De nieuwe aarde komt met rasse schreden, maar niet zoals een draaiorgel door de straten rijdt, zij komt zoals op lansen van schildwachten het zonlicht breekt, of zoals zich langs oude zuilen klimop windt. Zij komt zoals op kerkhoven een zuchtje wind alle blaadjes van de graven veegt en sinds lang zichtbaar worden alle zilveren namen. 

Het visioen van de nieuwe aarde (46)

Kijk naar de oude man, die op zijn sloffen naar het toilet schuifelt, hij zoekt verloren naar het licht en weet niet meer precies hoe het deksel omlaag gaat, als hij eenmaal zit huilt hij over de lege closetrol die hij bevend in zijn handen houdt. Kijk naar het kind, dat weent om het speelgoed dat door een ander kind meegenomen werd, het wrijft handenwringend in zijn oogjes, waaromheen al rode cirkels staan.

Kijk naar de eenzame dieren in het bos, de moeder-uil die haar nest verlaten vindt als ze terugkomt van de jacht, de gewijde reeën die hààr zoeken die het schot van de jager te laat ontweek, het paard dat kreupel door zijn hoeven zakt: het harig lijf bedekt de grond als een altaarkleed, de musjes die kwetterend zaadjes pikken in het gras, opgeschikt door grasmaaier en hondengeblaf.

Kijk naar de tuinen waar geen mensenhand komt en waar varens over de stenen woekeren, kijk naar de verlaten schuren en de muren die op scheuren staan. Kijk naar de zon, hoe ze bloedend achter de horizon zakt, hoe uit vensters zuchten klinken want de dag was lang en vermoeiend, hoe vaders hun handen nog zwaar van het werk op de eettafel neerleggen, als grote opengeslagen boeken. 

Kijk naar de soldaat en zijn manke been, kijk naar het lintje op zijn uniform, waarachter tal van littekens verborgen zijn, luister naar de verhalen die zijn ogen, onrustig en alert, vertellen maar die zijn tong resoluut afbreekt. Kijk naar de hamers en de scherven. Kijk naar de talloze blauwe plekken op het lichaam dat achtergebleven in het donker om genezing smeekt.

Kijk naar de tanks en de raketten, die als lichtende fakkels uit de hemel vielen, kijk naar de steden die in rook vergingen, kijk naar de moordenaar die in duistere stegen het mes in zijn bange hand houdt. Het is deze wereld, deze zwalkende wereld met haar gekleurde ballonnen, deze wereld met haar verregende straten, die onophoudelijk en hartverscheurend om jouw compassie smeekt.

Het visioen van de nieuwe aarde (45)

Hoe zou het zijn, als we de vleermuizen van de angst vandaag nog lieten wegvliegen – we zouden de ruiten van ons hart openzetten en ze zouden met schrille uithalen tevoorschijn wieken, hoe zou het zijn om ze in karavanen langs de hemel te zien trekken, en, als de avond over de huizen daalt, te zien hoe ze zouden versmelten met het gouden zonlicht?

Hoe zou het zijn, als we de tedere vogels van onze dromen voortaan in ons hart zouden laten huizen, niet langer schuifelend op de vensterbank? Hoe zijn het zijn, als uit verborgen gangen zacht geritsel zou opstijgen, zoals van takken in een bos, wanneer dieren -nog slaapdronken- op het morgenlicht afkomen? Hoe zou het zijn als dode bloemen opnieuw hun kopjes neigen?

Hoe zou het zijn, als onze ogen diep in die van de ander zouden kijken, als we elkaars vleermuizen naar buiten zouden zien vliegen en zouden zien hoe hun vleugels elkaar raakten in de blauwe bovenlucht, zouden onze handen dan ook niet elkaar zoeken en langzaam vinden en zouden onze monden dan ook niet beginnen elkaars taal te spreken? 

Hoe zou het zijn, als ieder zijn eigen lied zou zingen, eerst nog aarzelend, maar gaandeweg steeds vrijer en zonder vrees, hoe zou het zijn als we kinderen werden, die huppelend hun kleurrijke hoepels achterna joegen, welke straten ze ook in rolden en over welke stoepranden ze ook stuiterden -de hoepel moèt gevolgd worden- terwijl intussen de zon als een rode appel boven de daken verschijnt? 

Zou het dan niet net zijn of de nieuwe aarde was neergedaald, zouden we dan niet denken dat deze wereld plotseling een geheel andere was, omdat de dageraad met veel zachtere tonen aan de hemel zou staan en de akkers in nieuwe tinten zouden oplichten voor de boer, als hij ‘s avonds naar zijn stallen gaat? En als we dit nu al kunnen voelen als een zacht kriebelen, hoe moet het dan stràks niet zijn?

Het visioen van de nieuwe aarde (44)

Ik kan geen nieuwe wereld scheppen, mijn handen zijn te klein en mijn wangen dragen het stof van regenloze dagen, maar ik kan wel mijn arm in zonbeschenen vensters leggen, ik kan wachten hoe het koren langzaam rijp wordt en met kinderen kleine dijken bouwen, ik kan geen wouden aanleggen maar ik kan waken in de tuin waar de rozen uitbotten en de regen gaatjes in de harde grond slaat.

Ik kan geen neerslag maken, maar ik kan tikken op de grond tot de wormen hun kopje boven het maaiveld steken, ik kan geen oceanen oversteken, maar mijn woorden kunnen als kleine zeilboten tegen de stroom in varen, ik kan de nieuwe aarde niet aan een touwtje uit de hemel trekken, maar ik kan wel opstaan tegen ieder onrecht en niet buigen als de zwaaiende menigte met stenen voor me staat. 

Ik kan jou (verdwaalde) niet redden, maar ik kan naast je zitten in het donker als de nacht zegt je bent van mij en de vrienden als bleke schimmen de deur uit liepen, ik kan wel met je wachten en er zullen geen zware woorden op je schouder vallen, we zullen samen het kwetteren van de vogels horen als de eerste lichtstralen op de daken landen, zolang zal ik met je wachten, en het licht zal plassen vormen in je ogen.

Ik kan je niet genezen, maar ik kan wel je rolstoel door de beschaduwde tuin duwen, ik kan je de rododendrons wijzen en we kunnen de katten zien spelen met de tuinslang, ik kan je hand stevig vasthouden, en intussen je favoriete verhalen lezen, ik kan naar je kijken terwijl je slaapt en engelen vragen om je heen te staan, ik kan je vergeven en wanneer je dorst hebt een beker koud water naar je lippen brengen.

Ik kan geen hongersnoden stoppen, maar ik kan wel het leven in mijzelf beschermen, ik kan wel de dag eren zoals ze komt, en de zorgen als eenden laten wegfladderen. Ik kan deze wereld niet redden, maar ik kan mijn eigen duisternis in mijn armen dragen, en mijn dromen op grote schalen voor de vensters zetten. Ik kan de oorlog niet uit de mens halen, maar ik kan wel in vele harten zachte liedjes fluisteren. 

Het visioen van de nieuwe aarde (43)

Dierbaar lichaam met wie ik leef, jij die op deze aarde mijn reisgenoot bent, hoeveel jaren zijn we nu al samen, hoeveel uren laat je het bloed al door mijn aderen stromen, hoeveel dagen vermaal je het voedsel dat mijn tong uit mijn hand aanneemt? Er is geen dag geweest of we haalden samen adem, en als ik over de paden van de aarde wandel ben jij erbij, jij bent mijn vriend en mijn vertrouweling. 

Dierbaar lichaam, met wie ik alles deel, als ik verdrietig ben, weet jij ervan, ben ik verliefd, jij zendt vlinders in mijn buik, laat ik pijn niet los dan houdt jij het in één van jouw verborgen kamers vast, jij die op zoveel manieren mijn spiegelbeeld en tweelingbroeder bent, jij weet hoeveel zweet en tranen ik vergoot en waar ik mijn bloed aan de donkere aarde schonk.

Dierbaar lichaam met wie ik leef, jij hebt mij trouwer gediend dan ik jou, het voedsel dat ik je gaf paste niet bij je hoge staat, ik heb te laat gezien dat jij ook uit de sterren stamt, we zijn familie en er is één licht dat ons beide omgeeft. Word ik ‘s morgens wakker dan is jouw hartslag het eerste dat ik hoor, het is jouw ruisende adem die me ‘s nachts in slaap wiegt in het donker.

Dierbaar lichaam, jij bent zoveel groter dan ik denken kan, hoeveel miljoenen cellen heb je in mij gebouwd, de piramiden van Egypte zijn er gering bij, en zoals jij alle voedingsstoffen naar de juiste plaatsen leidt met duizenden kleine aderen, geen rivier van de aarde evenaart jou, en dan de haartjes op mijn huid, ik ken geen wouden waarin meer bomen staan.

Dierbaar lichaam dat ik koester en waar ik geen oogwenk buiten kan, alles zegt mij dat ik eens zonder jou verder reis, en wat rest me dan, als we op het kruispunt staan waar alle wegen naar de sterren leiden, anders dan naar jou te zwaaien? En als ik je uitgestrooid zie liggen op een strand of rustend in de donkere aarde, wat rest me dan, anders dan naar je te wenken, dankbaar dat jij mijn lichaam was?

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag